| DEEL 1
GEWOON GEWOON
Het is een klein dorp. Met gewone mensen.
Ze groeten elkaar. Of maken een praatje.
De klok van het kerkje slaat al twee eeuwen het uur.
De speelplaats van het schooltje gilt. En juicht. Elk jaar drie seizoenen.
De piepkleine bibliotheek leest op zondag.
De koeien herkauwen in de weides rondom het dorp.
De grote mensen werken in de stad en slapen in het dorp.
's Nachts is het dorp donker. Donkerder dan de stad.
De winter is koud, de zomer warm.
De dag is blauw. Goed is wit. De nacht is zwart.
Een dorp zonder twijfels.
Lisse en Warre zijn buurkinderen. Ze wonen in een tweewoonst.
De ene dag spelen ze in Lisses tuinhuis. De andere dag in Warres boomhut.
Ze racen samen naar school. Via kronkelende weggetjes.
Ze spurten op de zandberg naast het kerkhof.
Soms wint Warre. Maar meestal Lisse.
Ze zijn onafscheidelijk.
Alleen de nacht kan hen scheiden.
Door een stille muur.
De dorpelingen zijn altijd aardig. Alleraardigst.
Tegen kinderen.
Kinderen zijn het mooiste geschenk. Ze zijn de toekomst!’, fluisteren ze.
Het is een heerlijk dorp. Voor Warre en Lisse.
Saaier dan de stad. Dat wel. Rustiger.
En zeker veiliger!
Het is een gewoon dorp. Een dorp zoals zovele dorpen in ons land. Gewoon gewoon.
Tenminste, dat denkt men toch.
Benieuwd wie dit geschreven heeft? Klik hier. |